Informatie

adres
Kerk van het Heilig-Hart van Jezus, Kerkplein 17 Turnhout

voorzitter
Mia Vanheertum
014 - 41 62 77

dirigent polyfonie
Paul Elst

dirigent Gregoriaans
Maurits Van Obbergen

organist
Paul Elst

webbeheerder
mail

H.H. Missen

weekeinde
zondag: 9.30 uur (Hoogmis)

Cartoon

Facebookpagina

QR

Zangerskoor

Wij minnen, Heer, de luister van Uw Tempel,
de pracht van Uw altaar, wierook die stijgt
en geurt ... En alwie overschrijdt de drempel
ontbloot het hoofd, eerbiedig knielt en nijgt.

Het orgel ruist en schraagt de lofgezangen
die zwellen in de beuk - bede die aemt
en zweeft, wier echo's trillend blijven hangen,
die ieder hart tot medebidden praamt.

Wij zingen, Heer, wij danken, smeken, streven,
van Uw gelovig volk talen de vreugd
en smart. U, die de Troost zijt van dit leven
en die hierna ons eeuwig hoog verheugt.

Jozef Simons, koorlid
1888 - 1948

Cartoon

Buienradar

Weerbericht

Weersverwachting
Turnhout
Meer weer in Turnhout

Berichten

3 - Werking van een orgel

 

Een orgel is een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen, waardoor lucht stroomt op een labium of op een tong. Het instrument wordt daarom gerekend tot de aërofonen.

Basis onderdelen
Het orgel is een blaasinstrument, dat zijn oorsprong heeft in een simpele fluit. Zoals wij het orgel in onze tijd kennen, is het dan ook niet bedacht of uitgevonden, maar het is door de tijd heen zo gegroeid. De syrinx of panfluit, die als blaas-instrument ook nu weer bekendheid geniet, lijkt door zijn vaste pijplengte en zijn aaneengeschakelde pijpen al een beetje op een orgelfrontje.

Het ligt voor de hand, dat men probeerde om, met de dubbelfluiten met hun mondstuk en met de panfluit als voorbeeld, een instrument te ontwikkelen waarmee men één of meerdere tonen tegelijk ten gehore kon brengen terwijl men het door één mondstuk aanblies. De oplossing was eenvoudig. Men plaatste een aantal pijpjes (of fluiten) op een langwerpige doos, met aan de zijkant een mondstuk om de pijpen aan te kunnen blazen.

Om te voorkomen, dat alle pijpjes tegelijk zouden gaan klinken, werden er onder de pijpen klepjes of schuiven aangebracht, waarmee het mogelijk gemaakt werd, om de tonen die men wilde horen tot klinken te brengen.

Naarmate men meer pijpjes aan het instrument toevoegde, werd het moeilijker om het instrument met de beperkte capaciteit van de menselijke longen van voldoende wind te voorzien en ging men zoeken naar een mechanische oplossing van dit probleem. De afgestroopte huid van een dier (wordt balg genoemd) gebruikte men als reservoir voor de wind waarop het orgel kon spelen. Aangebracht tussen twee scharnierend aan elkaar verbonden planken, kon men druk op de balg uitoefenen. De hals van het dier (de krop) werd als uitstroom-opening van de wind aan het instrument verbonden. Deze benamingen worden nu nog in de orgelbouw gebruikt. De naam ‘balg’ is bij iedereen bekend. De balg wordt met de ‘krop’ aan het kanalensysteem van het orgel verbonden.

Het orgel bestaat nu uit volgende onderdelen:

  • De pijpen
  • De doos waarop de pijpen opgesteld staan: de windlade
  • Het mondstuk waardoor de pijpen aangeblazen worden: de kanalen
  • De balg, die zorgt voor de windvoorraad en de juiste druk van de orgelwind
  • De klepjes die de windtoevoer naar de pijpen afsluiten: de ventielen
  • De hefboompjes om die klepjes te openen en te sluiten: de toetsen

Variatie klankkleur en -sterkte
De eerste orgels hadden geen registers waarmee rijen pijpen in- en uitgeschakeld kunnen worden. Variatie in klankkleur of – sterkte was dus niet mogelijk. Om toch aan de wens van afwisseling tegemoet te komen, bouwde men achter de speler een tweede orgel, dat ‘rugpositief’ genoemd werd. Ook werd er wel een tweede orgel boven het eerste opgesteld, dat ‘bovenwerk’ genoemd werd. Om meer speelmogelijkheden voor de handen over te houden, werden de baspijpen met de voeten bespeeld: het pedaal, uitgevonden ± 1470.

Na het jaar 1500 werd het mogelijk, door uitvinding van een manier om rijen pijpen in – en uit te schakelen, veel meer klankkleuren ten gehore te brengen. Het mechanisme dat hiervoor gebruikt wordt, bedient de organist met het in- en uitschuiven van de registertrekkers naast of boven de speeltafel.

Het orgel ontwikkelde zich naar een hoogtepunt, dat bereikt werd in het midden van de 18e eeuw. Hierna werd er voortdurend geprobeerd het orgel te verbeteren en aan te passen aan de eisen van de tijd en veranderende smaak. Vooral de komst van het industriële tijdperk is van grote invloed geweest op de verdere ontwikkeling van het instrument.

bron: Wikipedia